dinsdag 4 augustus 2009

Lege Tijd


De enorme houten deuren gaan zwaar open en we lopen naar binnen met de verwachting dat het nog heel rustig is. Maandagochtend vroeg, de parkeerplaats is zo goed als leeg en ook de balie is alleen bemand door de zware receptionist met zijn vergroeide hand en soppig uitstekende dikke lippen waarmee hij ons een gemeend bonjour geeft. Net om het hoekje is een ooit ruime hal omgebouwd tot een smalle gang met enorm hoge ramen en 3 loketten met 1 groot kantoor erachter, waardoor de ruimte ondanks het hoge, wat vieze plafond, bedompt aandoet. De tegenover elkaar gelegen steeds openende deuren laten een frisse wind doorstromen langs de balie die het einde van het gangetje niet bereiken kan. Onder de hoge ramen staan stoelen om wat wachtende mensen een zitplaats te geven, het zijn er nooit genoeg. Teleurgesteld kijken we naar alle bezette stoelen en nemen plaats recht tegenover de balie met de receptionist die druk in de weer is met het beantwoorden van telefoontjes en het te woord staan van de bezoekers van de prefectuur. Tussen de deuren in, net om het hoekje van de gang met onze rug tegen de liftschacht aan, is het wat rustiger zitten en we hebben zicht op een ieder die binnenkomt. De vale houten balie heeft een klapdeurtje dat steeds open blijft staan als de man er achter vandaan moet om de computer te resetten die papieren uitgeeft ter registratie van voertuigen die geen kenteken hebben. De overheid wil weten waar die voertuigen zich bevinden in de staat. De vergeelde posters, gedateerde folders en andere details op en rond de balie geven een communistische indruk in een staat die traag maar gestaag voortgaat in nationalistisch historisch gedachtengoed. Nog 15 wachtenden voor ons die met net zoveel geduld en berusting een nummertje getrokken hebben en steeds maar weer naar het cijferbord kijken, niet vertrouwend op de zoemer die aangeeft dat er weer een klant geholpen is. Heel lang horen we geen zoemer en observeren het werken van de receptionist, die ongehinderd en met veel voldoening iedereen te woord staat en af en toe zijn ogen ten hemel slaat als hij aan de telefoon een niet begrijpend iemand treft. Mijn mond wordt steeds droger, de lucht in de ruimte steeds dikker en warmer. De tijd dat onze parkeerticket verloopt komt steeds dichterbij en daartussen is het leeg. Los van elkaar denken we hetzelfde, die lege tijd die tikt. Weken geen tijd of datum, dag of afspraak en hier tussen kalenders en telefoons, gehaaste medewerkers en papieren met stempels erop die de tijd juist benadrukken, denken we aan onze gaste die we vanochtend uitgezwaaid hebben. Opeens een klok die boven de balie op de vergeelde muur hangt op ons netvlies. Ik ga net buiten de glazen deuren aan de andere kant van de balie een sigaret roken op een binenplein dat vol staat met auto's onder de verkoelende esdoorns. Het is een vies oud blokkerig gebouw waar lang geleden misschien wat onderhoud aan gepleegd is. Iedere ingang heeft een plexiglas blok met een letter dat de diverse afdelingen aangeeft; 'Batiment B' staat er boven de onze. Ik probeer koffie te kopen door het automaat 40 cent te geven, maar de knopjes 1 tot en met 3 werken niet en ik geef toe aan koffie met suiker. Een vieze smaak glijdt mijn keel in, maar het is beter als niets. Marc en de receptionist komen erbij staan, maar de laatste krijgt van de telefoon geen tijd zijn rokertje helemaal te genieten. We bladeren daarna alle folders door, lezen papieren die absoluut niet op ons van toepassing zijn en kijken de receptionist bemoedigend aan. Na een uurtje daar zo zitten krijgt hij het wel wat op de heupen van ons, voelt onze ogen steeds op hem rusten, onderbreekt een klante voor zijn balie en vraagt of wij al geholpen zijn. Met een vriendelijke blik zegt Marc dat we nog lang niet aan de beurt zijn en ik voeg toe dat het allemaal wat traag verloopt vandaag. Hij herkent ons nog van de vorige 3 keren dat we daar hebben moeten zijn. Marc verplaatst zich naar een stoel in het gangetje tegenover de balie's, ik blijf zitten onder het enorme mededelingenbord en kijk maar weer eens op de klok. De parkeertijd is verlopen, dus sta op en loop naar Marc. Blij dat ik wat te doen heb buiten, vraag ik Marc een euro en de sleutel van de auto om de meter bij te vullen. Daar denk ik binnendoor de weg naar de auto wel te kunnen vinden, maar na 10 meter voel ik me al verdwaald in de nog stille straatjes en stegen, met de nog gesloten winkels en historische lege panden die hoog boven me de hemel lijken te raken. Hier en daar zitten ouderen op de kleine pleintjes op de bankjes wat te praten, loopt een sjofele jongen gehaast door de straat. Een heerlijke broodgeur bereikt mijn neus als ik al voorbij een bakkerijtje ben en nog steeds voel ik me verdwaald. Ik zoek het plein waar de auto staat, maar neem toch het verkeerde straatje waardoor ik op een kerk stuit die niet groot, maar wel indrukwekkend is met haar gemeleerde rode stenen en de brede blauwachige glas-in-lood ramen. Hoe verder ik om de kerk heen loop in de vermoedelijke richting van de auto hoe meer ik flarden opvang van orgelmuziek. De lantaarns, de lege straat zonder auto's, de kleine eenzame onkruidjes in de muur en de zachte rustgevende muziek onder de grijze ochtendlucht maken me weemoedig. Ik blijf even staan en alle zintuigen gaan vanzelf op scherp. De tijd ben ik kwijt, de plaats waar ik mij bevind ook en dit is als de 'lege tijd' die onze gaste in ons achterliet. Die tijd dringt zich op dit bijzondere moment aan mij op, want de meter tikt door en ik heb het nog niet aangevuld met die ene euro. Ik open mijn ogen en loop door. Toch ben ik verdwaald, denkende dat de auto achter de kerk staat heb ik mij vergist in de kerk zélf. De grote kathedraal kan ik niet meer vinden tussen alle hoge gebouwen met hun sierlijke balkonnetjes, gebladderde luikjes en geschilderde namen van de winkels die zich in de panden ooit bevonden. Ik loop langs de mooiere winkels met hun sjieke jurken en hippe pantalons, plein na pleintje loop ik over, tot ik een herkenningspunt zie om daar de hoek om te stappen en de auto te zien staan. Na het verwisselen van de parkeerticket zie ik de parkeerwachten het plein oplopen. Net op tijd. Dromerig loop ik terug naar de prefectuur. Ik heb zeer weinig geslapen en als vanouds niet ontbeten.
De geur van dezelfde bakker als daarstraks is weer in de buurt en ik zoek het pandje in de kleine nauwe straatjes weer op. Lekkerbekkend koop ik 4 heerlijke verse zoete broodjes met appelpuree en witte chocolade schilfers en dwaal me weer een weg richting het grote gebouw dat verscholen ligt tussen een rommelig geheel van panden, kantoren, historische binnenhofjes en pleinen. Weer moet ik zoeken en tegen de tijd dat ik de prefectuur weer bereikt heb is Marc al aan de beurt geweest en wacht tot hij kan betalen. Moe en onder de indruk zeggen we de receptionist nadrukkelijk gedag om hem te laten weten dat we nu echt klaar zijn en hem niet meer zullen observeren. Hier is weinig lege tijd, hier is tijd nog een belangrijke factor. Hier is dag en datum de leidraad van het bestaan. Hier is het niet de zon die opkomt of het hongergevoel tussen de middag die ons tot eten aanzet. Hier is de tijd de baas en we verlaten met alle liefde de stad, om met ons leven de tijd te overrulen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen